Nieuws

31 Januari 2016:
Corresponderende velden in Wijk aan Zee

Afgelopen vrijdag was ik op bezoek in Wijk aan Zee. Er waren leuke partijen te aanschouwen.  Van Wely tegen Navara was een chaotische partij, u kunt hem terugvinden op www.chessbomb.com en natuurlijk op de toernooi site www.tatasteelchess.com. Van harte aanbevolen. Dat geldt ook voor Adams tegen Giri. Giri wilde heel graag van de lijstduwer winnen en nam met zwart risico's in de partijopbouw. Die lijstduwer was altijd nog Adams, die met een mooi positioneel kwaliteitsoffer Giri er net niet onder kreeg. De winst heeft erin gezeten, maar Giri was op zijn beurt aalglad.

Het andere uiterste was te beleven op het bord van Carlsen tegen Yifan Hou. Een langzame schuifpartij waarop de wereldkampioen patent heeft. Elke tegenstander weet dat een klein foutje tegen hem het einde kan betekenen, dus zwart stond mentaal urenlang onder druk. We komen erin bij de volgende stand:


,


De juiste zet was 45. .. a5! Zwart wil zijn hok dichttimmeren. Het is dan objectief gezien remise, maar dat zou bepaald nog geen eenvoudige zaak zijn geweest, zoals hieronder wordt toegelicht aan de hand van de theorie van de 'corresponderende velden' een bekend fenomeen in pionneneindspelen.  Achteraf beschouwd was de dameruil op zichzelf nog niet fataal, maar zwart heeft het zich daarmee wel heel erg moeilijk gemaakt. Kijk mee, want dit pionneneindspel kan als een schoolvoorbeeld de boekjes in.

Ten eerste: als de witte koning op d4 verschijnt moet zwart de deur dicht kunnen gooien door Ke6 te spelen. Wit zal vorderingen willen maken door b3-b4 door te zetten. Een cruciaal element is dat wit over de tempozet c2-c3 beschikt, terwijl zwart vrijwel nooit d5-d4 kan spelen. Om die reden kan zwart na een toekomstig b4 geen axb4 spelen, want na Kxb4, gevolgd door Ka5 en Kc7, speelt wit c3 (tempozet), waarna wit beslissend met Kb6 binnenvalt. Zwart moet daarom zijn pion op a5 vrijwillig opgeven, d.w.z. bxa5 toelaten. De wending die daarna in het spel komt is dat wit op een juist gekozen moment de koning naar b4 dirigeert, vervolgens met a5-a6 zijn pion teruggeeft en met Ka5 alsnog binnenvalt. Zwart maakt alleen remise als hij op dat moment met Kb7 zijn pion op a6 kan dekken.


,


,

De corresponderende velden zijn als volgt:

A. Kd4 wil je altijd met Ke6 kunnen beantwoorden.
Zou zwart in deze stelling aan zet zijn, dan is Kf6 verplicht, waarna wit via de damevleugel kan binnenvallen.

Met wit aan zet mag de zwarte koning maximaal op 1 lijn afstand staan. Bijvoorbeeld: 49. Kd3 Ke6?? 50. Kd4 Kf6 51. Kc3 Ke6  52. Kb4 Kd7 53. a6! bxa6 54. Ka5 en zwart is één zet te laat.

B. Kd3 wil je altijd met Ke7 kunnen beantwoorden.
Zou zwart in deze stelling aan zet zijn, dan volgt uit variant A dat Ke6?? niet kan, terwijl wit na Kd7 met Kc3! wint - zie variant C hieronder.

C. Kc3 wil je altijd met Kd7 kunnen beantwoorden (daarom het uitroepteken bij zwarts 47e zet).
Zou zwart in deze stelling aan zet zijn, dan is hij in zetdwang: Kd7-e7 kan niet wegens Kb4! en a5-a6, terwijl Kd7-c7 faalt op Kd4!

De varianten A, B en C vormen de kern waarom alles draait. Daarvan afgeleid volgt:

D. Kd2 wil je het liefste met Ke6 kunnen beantwoorden: afhankelijk of wit Kc3 resp. Kd3 kiest, moet  zwart met Kd7 resp. Ke7 kunnen reageren.

E. Ke3 wil je altijd met Kd7 of Kf6 of Kf7 willen beantwoorden; niet met Ke6 (dan Kd4!) resp. Ke7 (dan Kd3!), zie variant A resp. B.

F. Kb4 wil je altijd met Kc7 of Kc8 kunnen beantwoorden, zodat je na Kc3 weer Kd7 kunt spelen (zie variant C). Anderzijds ben je na de doorbraak a5-a6 op tijd om met Kb7 pion a6 te dekken.

Conclusie: wit komt er niet doorheen als zwart bij de les blijft. Zou Yifan Hou dit achter het bord, met beperkte bedenktijd, gevonden hebben?  Nog een laatste voorbeeld: 49. Kb4 Kc7 (c8) 50. Kb3 Kc8 (c7) 51. Kb2 Kd8 52. Kc1 Ke7 53. Kd2 Ke6 (zie variant D).

Leuk toch?

Peter Gelpke